Het nieuwe jaar is net begonnen en alle tellers staan weer op nul. Tussen het kerstdiner en de oliebollen neem ik altijd even kort de tijd om terug te blikken en vooruit te kijken. Niet te lang, want het is niet zo zinvol om in het verleden te blijven hangen, of te veel bezig te zijn met de toekomst. Het gaat natuurlijk vooral om het nu, om vandaag. Terugblikken en vooruitkijken moet je in mijn ogen vooral doen om je doelen van vandaag scherp te hebben.

Maar als ik toch terugdenk aan mijn gesprekken met dierenartsen en paraveterinairen in 2019 dan vielen een aantal zaken op. Natuurlijk ging het veel en vaak over de veranderingen in het veterinaire landschap door de komst van investeerders. Wat zijn de voor- en nadelen van werken in een groter verband? Hoe verandert het veterinair ondernemerschap? Wat is mijn positie over twee jaar? En over vijf? Het afgelopen jaar lijkt het bewustzijn om gestructureerd te ondernemen -in welke vorm dan ook- enorm te zijn toegenomen. Dierenartsen zijn actiever gaan nadenken over hun missie, visie, doelen en toekomstig ondernemerschap. In de volle breedte van het vak is er een duidelijke trend waarneembaar van zwalkende besluitvorming naar gestructureerd praktijkbeleid, van ‘ondoorgrondelijk ad-hocratisch praktijkmanagement’ naar een duidelijke bedrijfsstrategie. Van emotionele ‘hals-over-kop’ beslissingen naar rationele, doordachte besluiten. Ik ben blij met deze trend.

Verder viel mij in 2019 nog iets anders op. Door de toenemende internationalisering werd door dierenartsen opvallend vaak de vergelijking getrokken met buitenlandse collega’s.  In onze gesprekken hoorde ik bijna altijd uitspraken als: “In Engeland wordt er veel meer…” of “In Zweden heeft men veel succes met…”. Vaak was dan de algemene strekking van het betoog dat volgde dat het gras bij onze buren altijd een stuk groener zou zijn.

Maar is dat nu ook echt zo? Ik denk van niet. In de afgelopen jaren ben ik veel op reis geweest door Europa en heb ik dan ook een aardig beeld kunnen vormen over de kleur van dat ‘gras’ bij onze buren. Elke waarneming is subjectief – dus ook zeker die van mij- maar toch ik durf gerust te stellen dat het Nederlandse ‘diergeneeskundige gras’ verreweg het groenste van Europa is. Wij hebben het in ons land veterinair gezien echt prima voor elkaar. Natuurlijk, er is altijd en overal ruimte voor verbetering, maar als je met enige afstand kijkt naar onze organisatiestructuren, onze (para)veterinaire opleidingen, onze kwaliteitssystemen, onze innovatiekracht, onze collegiale netwerken en onze beroepscultuur, dan mogen we daar apetrots zijn op waar we nu staan.

Onze klinieken, kennis en kunde zijn internationaal gezien van uitstekend niveau. ‘Utrecht’, ‘Wageningen’ en ‘Barneveld’ zijn mondiaal nog steeds klinkende namen. Ons huidige antibioticabeleid is toonaangevend, onze veterinaire kwaliteitssystemen worden geroemd, geprezen én gekopieerd, in veterinaire marketing en communicatie is Nederland gidsland, enzovoort.

Is dit reden om op onze lauweren te rusten? Wat mij betreft zeker niet. Het is een solide basis om de volgende stappen voorwaarts te zetten in verdere veterinaire vernieuwing, verbetering, verfijning én een nieuwe verbondenheid. Want zoiets kan alleen maar met elkaar. Samenwerking de sleutel voor succes. Constructieve coöperatie tussen ‘millenials’ en ‘boomers’, tussen werkgevers en werknemers,  tussen onderwijs en praktijk, tussen generalisten en specialisten, tussen ketenpraktijken en zelfstandige klinieken en tussen de verschillende beroeps- en belangenorganisaties. Samen is sterker.

Dus vooruit met de geit! Niet te veel terugblikken of vooruitkijken, maar lekker samen aan de gang om de veterinaire dienstverlening van vandaag beter te maken. Zodat we trots kunnen zijn en blijven op het ‘groenste veterinaire gras’ ter wereld. Want -geloof mij- dat groeit echt in Nederland!

Leave a Reply